Ineens, Anna Enquist

Ineens was ik het vermogen
om warmte vast te houden
verloren. Nu de kinderen
het huis uit zijn, snoof ik,
ja ja. Ik kroop onder steeds
meer dekens. De kachel
loeide. De warmste van ons
tweeën kon mij niet meer
verhitten. Ik rilde en
huiverde alsof ik oog
in oog stond met de dood.

Wat ook zo was. De dood
en ik stonden op een dijk.
Tussen ons was niets dan
een aanzienlijke afstand.