cocoon

Archive for the "Essays on Art" Category

Donatello’s Judith

Serenity, disbelief and relief in Donatello’s Judith.

Peaceful, righteous body language.

But from looked at from below Judith becomes horrific, intimidating, eerie and anuncanny smile forms due to a misplaced shadow.

source: http://renacimientoitalianouno.blogspot.be/2010/12/maria-magdalena-algunas-explicaciones.html

Judith cannot be seen in her puritanical Biblical original context; the one who protects her honour as well as her people. In Donatello’s work, Judith is symbol for this courage towards a community. But due to our continuing grow and want of individualisation in people, as well as objects and animals, Judith becomes one woman threathened by rape and life, who takes the sexualisation that makes her a victim of this and ultimately uses this as a weapon of power by entering Holofernes’s tent and deheading him coldly, silently, serenely.

Gekke Vrouwen

Nervous women throwing plates at you, weeping all over you, in their kitchen apron they make irrational requests and irritate manhood by emotionality throwing themselves to the far-away ground towards death just by asking for a sandwich. The term makes for ridiculous assumptions and conjures up old time stereotypes and new time soap opera women, but of course I would not be writing this if this were an art exhibition that does not mean to shatter those images.

But first, founded in 1857 as a psychiatric hospital, originally held the poetic name of ‘hospice pour homes aliénés’ ultimately evolved to the museum we know today as Dr. Guislain Museum in 1986 in Belgium, Ghent. A place we have come to cherish as an original and enlightening place. This museum means to shows their visitor a history of psychiatry and let’s us question the ever changing and ambiguous definition of mental illnesses and the medicine evolving around it, and of course, our past and current selves.

Art has a long history of being intertwined with psychiatry as a therapeutic medicine for recovery of mental illnesses. So naturally, Museum Guislain has evolved into a museum rich of outsider art, an art form often made by psychiatric patients. This base makes for an interesting home of an exhibition named Nervous Women.

The show approaches the questionable relation between psychiatry and women; why is it that so many more women are and have been diagnosed with mental illnesses compared to men?

The Nervous Women exhibit is built around seven chosen couples of a woman and her psychiatrist, or a psychiatrist and his woman? These cases are placed alongside work by artists with a mental illness and by portraits influenced by cultural stereotypes of mental illnesses throughout two centuries; psychiatrists following in the traditional image of female hysteria with the classic white vest and women with bound up arms or rebelling to anti-psychiatric treatments like LSD. In this way Museum Guislain builds an interesting portrait of the opaque and complex history of psychiatry and how utterly linked it is with womanhood and its societal limitations.

An intriguing array of art is shown first by English Victorian portraiture of wild or eerily still and forlorn women photographed by none other than men and men and men. Fascinating faux scientific photography of Henry Hering shows us the charlatan nature of early psychiatry its staged theatrical patients quite literally acting out hysteria for a supposed documentation purpose. Sketches of crazed women with out-of-this-world expressions scarring their faces look at the viewer and laugh. Until stories of progressive women ahead of their restrictive time contradicts this male-centered view. Suddenly freaks and weirdo’s and total creeps, or rather people who have been cast aside and for whom there’s not a place in our narrow world, find their homes in Diane Arbus’ photography and tell us their stories of making their own home rather than being forcibly placed in a men’s world. Later a more contemporary and thoughtful vision of Tracey Emin’s truisms and Cindy Sherman’s exploration of female gender expression and its simultaneous honesty and falseness makes us confused like many women must surely have felt and are still feeling. This story ends in tales of the patients themselves, finally, like voluntary psychiatric patient Yayoi Kusuma and her polka-dotted language of a singular world in organic and colourful sculptures and Unica Zürn who draws confusing portraits of portraits in portraits and then some.

As usual Museum Guislain throws us weary visitors a myriad of valid questions by showing us the many and vast different viewpoints of mental illness through time. It starts with the obvious and often-dubious question (dubious, as it is often asked to devalue mental illnesses) is mental illness not merely a sign of the times? Is it influenced by how much, how far or how little society restricts us?

Is the development of mental illnesses influenced by cultural ideology? If mental illnesses are shaped and constructed by society does that mean that society pressures us to develop neuroses or does it mean that we develop neuroses because society pressures us or are mental illnesses free from influence and does our societal viewpoint restrict our viewpoint so it selects only certain behaviours? Is our culture too shortsighted and limited for a range of people who ultimately get driven into madness? What is mental illness and how is it influenced by our culture?

In short, cultural, social and ideological viewpoints of our time define what madness is, how we see madness, but this madness might not be objective at all, quite possibly it is extremely subjective. Following this is the most intriguing question; does any of this make mental illnesses any less valid, any less real for the person living with it?

The exhibition and its questions remains open-ended but by the many stories of suicide and the little stories of repair visitors will answer this honestly and hopefully without skeptical glances towards psychiatry and its patients.

Kirchner, Die Straße, 1908

“Die Straße”, geschilderd in 1908, visualiseert een thema, dat pas na Kirchners verhuizing naar Berlijn in 1911, centraal zou staan: dat van het straatleven. Toch is deze ‘voorloper’ een van Kirchners sterkste beelden. De felle, helle kleuren zijn wild en ontzettend; die geweldige coloriet contrasteert met de schijnbaar rustige mensen die in de stad rondlopen. Hoewel men merkt dat de stad druk is, lijken de mensen zich daar vrijwel onbewust van te zijn. De intense kleuren en het vreemde kind dat het middelpunt van het schilderij vormt, doen je echter meteen ongemakkelijk voelen. Als we wat nauwkeuriger kijken, merken we een nog groter gevoel van onrust op.

Onze ogen volgen eerst de donkere figuur met de oranje hoed in het midden, je kijkt naar haar helder gekleurde gezicht tot je ogen vallen op haar sjaal en haar arm – die je leidt naar haar enge hand die krampachtig gevormd is. Onze ogen vallen daarna plots op de gele onderrok van de vrouw rechts, waardoor we meteen geleid worden naar haar felgele jas, daar echter afgeleid worden door haar ziekelijk groen gezicht. Niet enkel de kleur is misselijkmakend, ook haar scherpe neus en onbehaaglijke glimlach voelen ongemakkelijk aan. Opnieuw volgen onze ogen de oranje hoed, maar deze keer glijden ze af naar het kind dat vreemd gevormd is: het heeft een misvormde arm die onzeker eindigt en een hoed die bijna een bochel lijkt. Dit kind lijkt het enige personage te zijn dat de benauwde sfeer van de stad aanvoelt en uitdrukt. De merkwaardig gekleurde grond leidt ons naar de dame met de rode jas die zo vreemd gevormd is dat men twijfelt of ze wel vlot zou kunnen lopen… Hoe loopt ze verder na deze momentopname, hobbelend en bobbelend? De pluim van haar hoed leidt ons door het volk naar de tram toe die lijkt over te lopen in de mensenmassa. Opnieuw blijven onze ogen hangen aan die felrode kleur, die, zeker in contrast met het ziekelijke groen, gewelddadig overkomt. De uiterlijke rust van de personages lijkt te barsten van de nervositeit; uit deze figuren spreekt een soort ontsteltenis – of zelfs angst . Opnieuw passeren we de oranje hoed, daarna de grote ronde van de hoed van de gele dame, die nu pas het enige echte rustige vlak in dit schilderij lijkt, en opeens komen we tot halt bij een dame met rode wangen en een groen hemd. Ze staat er bijna als een opgeblazen pop en lijkt de enige echte statische figuur in het werk – maar de vorm van haar arm, het kleurencontrast tussen haar hemd en wangen en haar doodstille gezichtsuitdrukking lijken haar nog het meest ontzette personage van allemaal te maken. Ze lijkt bijna te stikken door de donkere kleuren rondom haar.

Is Kirchner dus geslaagd in zijn opzet om de ontzetting van het stadsleven weer te geven? Op basis van mijn beschrijving kan je stellen van wel. De intense, vreemde kleurencontrasten, de dode ogen, enz. roepen een gevoel van verstikking en innerlijke nervositeit op. Dit wordt niet enkel door vorm en kleur weergegeven, maar ook door de opmaak van de personages zelf. Maar stel dat we bijvoorbeeld het middelpunt, het vreemde kind dat de enige uiterlijke tekenen van ontzetting lijkt te vertonen, weglaten, zou dit schilderij dan nog steeds dezelfde impact hebben, zouden we ons als kijker nog steeds verstikt voelen? Natuurlijk zou deze ingreep wat veranderen, maar het gevoel van verstikking zou – nu misschien pas na een tweede kijk – blijven. Want – zoals hierboven beschreven – stoot je, wanneer je je helemaal laat overspoelen door alles wat in het werk gebeurt, constant op details, die angst, onrust en verstikking laten doorschemeren: de gelaatskleur van de vrouw met de gele vest, de dode ogen van de vrouw met de oranje hoed, de houding van de vrouw met het groene hemd en de rode wangen. Zonder het misvormde kind zou dit schilderij dus nog steeds werken, zij het misschien minder krachtig.

Kirchners werk weet dit gevoel van (latente) verstikking en vervreemding ook op te roepen bij hedendaagse kijkers, die zich eveneens langzaamaan overspoeld voelen door de alsmaar sneller evoluerende maatschappij, die alsmaar meer vraagt, alsmaar sneller gaat. Men kan stellen dat Kirchner een manier gevonden heeft om door middel van een vrij klassiek schilderstafereel een modern gevoel uit te beelden, dat de dag van vandaag, in onze turbulente tijden, nog niets aan radicaliteit en actualiteit ingeboet heeft.

Zo komen we bij de vraag of Kirchner in zijn opzet geslaagd is een nieuwe kunst voor een nieuwe generatie te maken. Is zijn werk m.a.w. werkelijk zo innovatief? Zoals eerder vermeld is het onderwerp (een stadscène) vrij klassiek in de schilderkunst, daarnaast hebben de kleurencontrasten weliswaar een grote impact – maar of het gebruik ervan werkelijk zo vernieuwend is, is een andere vraag. Is het bv. zo verschillend van de werkwijze van de fauvisten? Vanzelfsprekend verschilt Kirchners doek met zijn vervreemdend effect van het schijnbaar ‘vrolijke’ werk van de fauvisten met hun puur plastische interesse, maar maakt het dat werkelijk vernieuwend. Nee, buiten een frequenter gebruik van donkere contrasten kan dit niet bepaald vernieuwend genoemd worden; men zou zelf kunnen stellen dat pas de expressies van de personages het echte vervreemdende effect mogelijk maken.

Verder doet dit schilderij ook denken aan het werk van Munch, niet enkel door het zachte lijngebruik en het motief van de lege ogen, maar ook qua onderwerp. Reeds in 1892 schilderde Munch “Avond in de Karel-Johan straat”, waarin we een gelijkaardige straatscène zien die hetzelfde gevoel van vervreemding opwekt, zij het misschien minder intens dan Kirchners werk. Kirchner beweerde wel dat hij nooit naar Munchs werk keek, en sterker, dat veeleer het omgekeerde het geval was: Munch keek naar Kirchner.

Hoe het ook zij, deze discussie wijst al op het feit dat Kirchner allesbehalve een geïsoleerde vernieuwer was. Niet enkel vormelijk, maar ook thematisch lijkt Kirchner geen radicale vernieuwer. Maar duidelijk heeft hij wel een manier gevonden om op een bijzonder sterke en eigenzinnige wijze een gevoel van vervreemding weer te geven.